|
De Orgelhistorie van
de voormalige Schuilkerk
Het is niet bekend wanneer er voor het eerst een orgel werd gebruikt
in de parochie. Toen in 1773 de toenmalige schuilkerk afbrandde is waarschijnlijk
ook het gehele parochie- archief verloren gegaan. Van de periode vòòr
de brand zijn dan ook nagenoeg geen gegevens in het huidige archief aanwezig.
Ook is niet bekend of deze schuilkerk wel een orgel heeft gehad.
Na de brand werd op dezelfde plaats binnen twee jaar een nieuwe kerk
gebouwd. Of er vanaf het begin een orgel aanwezig is geweest, valt niet
meer te achterhalen. Het eerste bericht over een orgel dateert uit 1812.
In het Inkomsten/Uitgavenboek van het Kerkbestuur staat de volgende post
vermeld: "Betaalt aan de orgelmaker voor het ripperere stelle van het
orgel". Dit betekent dat er in 1812 in ieder geval een orgel aanwezig
was.
De volgende post dateert uit 1820, en nu wordt ook de naam van de orgelmaker
vermeld : G.P. Reusener. Dat ook deze keer het orgel werd schoongemaakt
en gerepareerd, zou deels een gevolg kunnen zijn geweest van de grote verbouwing
en uitbreiding van het kerkgebouw in 1818.
De orgelmaker George Pieter Reusener ( in de boeken van het kerkbestuur
overigens consequent Reusenaar genoemd) was gevestigd in Delft en heeft
o.a. in deze stad in diverse kerken werkzaamheden verricht.
Tot 1835 heeft Reusener het instrument in onderhoud. Gedurende die tijd
zijn enkele reparaties verricht, o.a. in 1827/28 en in 1830, toen een aantal
pijpen naar de werkplaats van de orgelmaker werden vervoerd. Dit vervoer
gebeurde per schip en wel door de schipper Van der Kade.
Vanaf 1836 komt het orgel in onderhoud bij de orgelmakers J.A. van Beek
en C.J. Weenig te Leiden. De reden van deze verandering is niet duidelijk.
Het meest waarschijnlijk is dat meerdere orgelmakers hadden ingeschreven
op het verrichten van reparatiewerkzaamheden en dat aan de goedkoopste
orgelmaker het werk werd gegund.
De reparatie werd kennelijk in fasen uitgevoerd, want gedurende de
jaren 1836 t/m 1839 wordt elk jaar aan het orgel gewerkt. De kosten hiervoor
bedroegen in totaal ƒ 239,-. Ten behoeve van de werkzaamheden verbleven
de orgelmaker en zijn knecht de eerste twee jaren bij de kastelein J. Ammerlaan:
de twee jaren daarop bij logementhouder D. Verburg.
Dat er naast het werk ook wel tijd voor ontspanning was blijkt uit
de post :"Brievenpost, Sterkendrank en andere behoeften voor de orgelmakers
en ververs". Kennelijk werden er dus ook schilderwerkzaamheden verricht.
Van 1840 tot 1845 wordt het orgel gestemd door Machiel Beekes
(een zoon van Wander Beekes), orgelmaker te Delft.
In 1847 komt een andere orgelmaker om de hoek kijken, nl. D. van Gelder
uit Rotterdam. Hoewel niet te achterhalen is wat de reparatie precies ingehouden
heeft, blijkt uit het bedrag ad ƒ 220,- dat dit toch omvangrijke werkzaamheden
moeten zijn geweest. Ten behoeve van deze werkzaamheden heeft de
al eerder genoemde schipper A. van der Kade het orgel getransporteerd naar
de werkplaats van de orgelbouwer en - na de restauratie - weer terug gebracht
naar Pijnacker.
De enige bekende bron waarin de dispositie van het orgel staat vermeld
is de dispositieverzameling van Georg Hendricus Broekhuyzen. Hierin staat
vermeld:
| P5. Pijnacker, Provintie Zuid-Holland
Het orgel in de kerk der R.Cath.Gemeente aldaar. Is de maker
en datum der stichting onbekend. In 1849 gerepareerd door Van Gelder, orgelmaker
te Rotterdam. Heeft 9 stemmen, een handclavier, geen pedaal en twee blaasbalgen.
Prestant 8vt
in 't front
Bourdon disc 16vt
Holpijp 8vt
Octaaf 4vt
Roerfluit 4vt
Quint
3vt
Octaaf 2vt
Flageolet 1vt
Cornet disc 4st
tremulant, ventil |
Het in deze verzameling genoemde jaartal 1849 is dus niet juist en moet
1847 zijn.
In 1864 is de volgende reparatie noodzakelijk geworden en wederom wordt
deze door een andere orgelmaker uitgevoerd. Een contract wordt gesloten
met de orgelmaker J. Schaaffeld. Dit contract is het enige stuk betreffende
het orgel dat in het historisch archief van onze parochie aanwezig is.
Blijkens dit contract wordt het pijpwerk uit de kast genomen. Pijpwerk,
windlade, mechaniek en blaasbalgen worden grondig gereinigd. Tevens worden
enige reparaties verricht. Het pijpwerk wordt opnieuw geïntoneerd
en in een gelijkzwevende temperatuur gestemd.
Reparaties worden verricht aan Blaasbalgen ( nieuw leder), windkanalen
en klaviatuur.
De frontpijpen worden met foelie of bladtin belegd, waardoor het front
een geheel nieuw aanzien krijgt.
Verder is nog bepaald dat gedurende de werkzaamheden "aan den orgelmaker
een hulp of handlanger" zal worden verstrekt en dat er "ten zijnen
diensten een stijgertje voor het orgel zal worden geplaatst".
Het onderhoud wordt gedurende een aantal jaren door J. Schaaffeld verricht
totdat de orgelmakerij wordt overgenomen door de orgelmaker P.C. Bik.
Ondanks de regelmatige werkzaamheden blijkt men toch niet zo tevreden
te zijn geweest met dit orgel.
Als het in 1887 weer gerepareerd moet worden wil het kerkbestuur er
niet langer geld in steken en middels een brief van 27 april 1887 aan de
bisschop van Haarlem verzoekt men machtiging om over te gaan tot de aanschaf
van twee harmoniums. Een om het oude orgel in de kerk te vervangen "welk
orgel allerbelangrijkste reparatie zou moeten ondergaan en toch een onding
zou blijven" en een harmonium voor de school "ten dienste van de zangers
voor hunne zangoefeningen".
Daar het oude orgel volgens het kerkbestuur nagenoeg geen waarde meer
heeft acht men het beter het terwille van het zicht te laten staan dan
om het te verkopen. Op dit verzoek wordt door het bisdom positief gereageerd.
Na het gereedkomen van de nieuwe kerk wordt het instrument in 1893
alsnog verkocht aan de orgelmaker P.C. Bik te Leiden voor een bedrag ƒ
80,-. Bij dit nog steeds bestaande bedrijf was echter niet meer te achterhalen
wat er verder met het instrument is gebeurd. |